|
Voorbezichtiging op 26, bezichtiging op 27, 28, 29 en 30 mei. Veiling op 31 mei om 10.30 en vanaf 14.00 uur.
Topstuk van de veiling is een bloemstilleven uit 1913 van Leo Gestel (1881-1941). Gestel, zoon van een Woerdense huisschilder, volgde van 1900 tot 1903 lessen aan de 'Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijs'. Daar ontmoette hij Jan Sluijters (1881-1957), met wie hij goede vrienden werd. In 1911 zagen ze in Parijs werk van Braque en Picasso, dat Gestel inspireerde tot de semi-fauvistische en -kubistische stijl waarin ook het stilleven met pioenen, anemonen en lupines (€ 280,000 – 350,000) geschilderd is. Het doek is extra bijzonder omdat op 9 februari 1929 Gestels Bergense atelier afbrandde, waarbij vrijwel alle schilderijen (400 stuks) uit de tijd daarvoor verloren gingen. De overgebleven doeken schonk of verkocht zijn weduwe An Overtoom aan het Stedelijk Museum te Amsterdam en het Haags Gemeentemuseum. Van Sluijters wordt overigens ook een uitbundig bloemstuk aangeboden (€ 25,000 – 35,000).
De Groninger kunstenaars vereniging De Ploeg (1918) wilde de belangrijke veranderingen in de kunst ook in het hoge Noorden doorvoeren. Jan Altink (1885-1978) bedacht de naam: "Omdat er in Groningen niet zoveel te doen was op kunstgebied dacht ik aan ontginnen en dus ook aan ploegen". Het toeval wil dat op een te veilen doek van Altink daadwerkelijk een ploegende boer te zien is (€ 18,000 – 22,000). Dat De Ploeg wel degelijk loskwam van de Hollandse klei, bewijst een abstract werk uit 1925 van Wobbe Alkema (1900-1984). Door gebruik te maken van overlappende rechthoeken en cirkels in blauw, paars en aardetinten, trok Alkema zich bewust niets aan van Mondriaans dictatoriale regels over vorm en kleur (€ 50,000 – 70,000).
Ook Cesar Domela (1900-1992) wenste zich niet te schikken naar de nukken van ‘de dansende Madonna'*. Toen Domela zich in 1926 bij De Stijl voegde, viel hij midden in de beruchte controverse tussen Mondriaan en Van Doesburg over het gebruik van de kleur groen en de diagonale lijn. Met de dikke zwarte schuine lijnen die Neo-plastieke compositie (1926) in vier vlakken verdelen, koos Domela duidelijk partij voor Van Doesburg (€ 150,000 – 200,000).
Bart van der Leck (1876-1958), in 1917 notabene mede-oprichter van De Stijl, koos al na enkele maanden zijn eigen weg. Hij was bijvoorbeeld tegen het zwart omlijnen van gekleurde vlakken, omdat daarmee het schilderij ‘ van de buitenwereld afgesloten’ zou raken. In ieder geval raakte Van der Leck zelf een beetje afgesloten van het grote publiek. Hij richtte zich daarom steeds meer op de toegepaste kunst, en schilderde nog maar sporadisch. Midden jaren ‘50 vond de tachtigjarige Van der Leck echter nieuwe inspiratie en maakte in hoog tempo nog zeventien schilderijen. Een van zijn laatste werken, geschilderd in het jaar van zijn dood, komt onder de hamer voor € 60,000 – 80,000. Het bescheiden doek (24.5 x 30.5 cm.), afkomstig uit de familie en nauwelijks tentoongesteld, laat zien dat de ‘vergeten’ meester De Stijl wel degelijk beheerste.
Een kwart eeuw later was de beurt aan Co Westerik (1924) om zich niets aan te trekken van de publiekstrekkers van zijn tijd. Met zijn realistische en vaak schrijnende beelden bleef hij echter goed overeind in het Cobra-geweld. Belangrijke thema’s van Westerik zijn dood, erotiek, kwetsbaarheid en eenzaamheid; een menselijke figuur ontbreekt dan ook zelden in zijn werk. Op het Zelfportret met witte deur uit 1962 (€ 30,000 – 50,000) kijkt de schilder zichzelf vorsend aan. Bijna ten overvloede houdt hij een uiterst fijn penseeltje onder de lamp, als om zijn eigen wezen zo nauwkeurig mogelijk te ontleden. Met drie andere doeken is het portret afkomstig uit de privé-collecties van de schilder Jan van Heel (1898-1990).
Vanzelfsprekend biedt Christie’s ook Cobra-kunst aan: de gouache Personnage van Karel Appel (1921) is getaxeerd op € 60,000 – 80,000, terwijl een abstract schilderij van Anton Rooskens (1906-1976) naar verwachting € 18,000 – 22,000 zal opbrengen. De Dikke Drinker van Lucebert (1924-1994) is geschat op € 7,000 – 9,000.
Een beeldje van een dikke vrouw (€ 8,000 – 12,000), een zogenaamde Nana van Niki de Saint Phalle (1930-2002), maakt deel uit van een collectie van 27 werken uit de collectie van Mike Schuijt. Hij was in de jaren ’80 haar assistent die onder andere meewerkte aan de lamp Déesse de la Lumière (avec Nana) (€ 35,000 – 55,000). Behalve met de oermoeder Nana, die terugkeert in veel van haar werken, verwierf het voormalig fotomodel voor Vogue, Life, en Harper’s Bazaar vooral bekendheid met de fontein die ze midden jaren ‘60 met haar man Jean Tinguely (1925 – 1991) maakte op het plein voor het Centre Pompidou.
Niki de Saint Phalle kreeg haar eerste overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum, waar ook enkele van de overgebleven vroege Gestels hangen. Het voert uiteraard te ver om de veiling van Moderne Kunst bij Christie’s met een museum te vergelijken, maar de combinatie van Hollandse topstukken met vrijwel ongeziene werken en een aantal collecties maken een bezoek aan de kijkdagen tot meer dan zomaar een dagje uit.
* Mondriaan verwierf deze bijnaam tijdens zijn verblijf in Laren van 1915 tot 1917. Mondriaan danste graag en vaak in Hotel Hamdorff, maar hield zijn ledematen daarbij strikt in bedwang. Dansen was een serieuze aangelegenheid, waarin net als in zijn schilderijen alle vloeiende bewegingen voorkomen moesten worden. Hij danste kaarsrecht, het hoofd met een hemelse blik omhoog gericht.
|