EXPOSITIE / EXHIBITION Groeninge Museum Van 28-10 t/m 31-12-2005
  Let op: Deze expositie is voorbij !
In English - En Français



Rubens, Jordaens en Van Dyck:
Vlaamse meestertekeningen

Deze tentoonstelling groepeert een selectie van ongeveer 50 tekeningen enerzijds uit het oeuvre van de 17de-eeuwse grootmeesters Rubens, Van Dyck en Jordaens en anderzijds ook representatieve werken van minder bekende meesters. Ook "in de schaduw van de grote drie" werd namelijk tekenkunst op hoog niveau beoefend. De bruiklenen zijn eigendom van het Museum Boijmans Van Beuningen (Rotterdam), dat één van de rijkste verzamelingen prent- en tekenkunst ter wereld bezit. I.s.m. Museum Boijmans Van Beuningen.

De tentoonstelling vindt plaats in de annex van het Groeningemuseum, m.n. het Arentshuis. De expo is toegankelijk van dinsdag tot zondag : van 9:30 tot 17:00. Tickets tot halfuur voor sluiting. Tarieven: € 1,50 à 2,50 | Gratis - 13 j. & Bruggelingen.

Dit jaar concentreert de eerste grote najaarstentoonstelling van het Brugse Groeningemuseum zich op de tekenkunst van de Vlaamse Meesters uit “de Gouden eeuw”.
In de annex van het Groeningemuseum, met name het het Arentshuis, worden een vijftigtal meestertekeningen van Peter Paul Rubens, Jacob Jordaens, Antoon van Dyck, Paulus Pontius, Lucas Vorsterman en David Teniers de Jonge geëxposeerd. De tekeningen geven een representatief overzicht van de diversiteit van de Vlaamse baroktekeningen, hun verschillende functies en hun variërende technieken.
De volledige collectie is afkomstig uit het prentenkabinet van het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen – dat over één van de belangrijkste verzamelingen tekenkunst beschikt in Europa – en wordt voor het eerst in België tentoongesteld.
Bijzonder interessant zijn bijvoorbeeld twee studietekeningen naar 16de -eeuwse prenten die de jonge Rubens vóór zijn vertrek naar Italië maakte. Nog in zijn latere jaren – toen hij voor een korte tijd in Amsterdam was - herinnerde Rubens zich aan deze werken uit zijn jeugd. Maar ook de studies die Rubens tijdens zijn eerste verblijf in Italië tekende naar sculpturen uit de klassieke oudheid of naar Italiaanse Renaissancemeesters, zoals Michelangelo, zijn op de Brugse tentoonstelling aanwezig. Zij verduidelijken de belangstelling die Rubens gedurende zijn hele loopbaan aan het tekenen hechtte.
Ook Jordaens en Van Dyck zijn in deze expositie met elk een tiental tekeningen vertegenwoordigd, waaronder schetsen voor altaarstukken zoals “De Heilige Martinus uit Zaventem” (Van Dyck), of “Zoals de ouders zongen, piepen de jongen” (Jordaens). Ook portrettekeningen zijn ruim aanwezig, onder meer een vermoedelijk portret van de zus van Helena Fourment van Rubens, of Van Dycks tekeningen voor “de Iconografia”.

“Het verhaal van een bijzondere collectie” of de prentencollectie van het Museum Boijmans Van Beuningen, door Dr. Manfred Sellink:
“Prenten en tekeningen behoren per definitie tot de minder bekende schatten van musea. Werken op papier zijn vooral gevoelig voor (onomkeerbare) aantasting door licht en worden daarom nooit permanent tentoongesteld.
Opgeslagen in zuurvrije dozen en mappen worden deze kunstwerken zo nu dan voor beperkte duur geëxposeerd, en dan nog in ruimtes met gedempt licht en lage luxwaarden. Opgesteld in donkere ruimtes waar de ogen tijd nodig hebben om zich aan te passen, komt nog een aspect naar voren dat de geringere populariteit bij een breed publiek bepaalt: het gaat om werken op kleiner formaat die veelal van dichtbij bekeken en ontdekt moeten worden. Grafiek en tekenkunst ontbreekt het – zo wil het heersende cliché in museumkringen – aan ‘wall-power’, de artistieke zeggingskracht van schilderijen en sculptuur die van afstand de toeschouwer versteld doet staan.
Dat mag in essentie wel waar zijn, in ieder geval waar het de oudere papierkunst betreft, maar dat neemt niet weg dat bij uitstek prenten en tekeningen een kunstliefhebber die een beetje moeite wil doen veel te bieden hebben.
Wie de tijd neemt om - idealiter met het blad in de hand, maar in de museale praktijk veilig ingelijst aan de muur – een tekening van nabij te bekijken kan veel ontdekken en komt via tekenstijl en artistiek handschrift vaak dicht bij het scheppingsproces van de kunstenaar.
De instellingen waar belangrijke collecties prenten en tekeningen bewaard worden zijn nogal divers en zijn beslist niet alleen de traditionele kunstmusea. Zo heeft de wereldbefaamde National Gallery in Londen geen prentenkabinet en moeten in die stad liefhebbers door de wereld van de antieke oudheid in het British Museum lopen om bijvoorbeeld tekeningen van Rembrandt te bewonderen. Niet ongewoon is dat daarentegen door allerlei tradities grote bibliotheken een belangrijke verzameling hebben, zoals bijvoorbeeld in Brussel en Parijs. In weer andere steden bestaan er min of meer zelfstandige prentenkabinetten, zoals de wereldberoemde Graphische Sammlung Albertina in Wenen – wellicht de grootste en rijkste verzameling prenten en tekeningen ter wereld. In Haarlem, tenslotte, is een vermaarde collectie op dit gebied te vinden in een natuurwetenschappelijk georiënteerde omgeving, te weten het Teylers Museum.
Zoals de meesten van u weten hebben de Brugse musea ook een verzameling prenten en tekeningen. Dit zogeheten Steinmetzkabinet, genoemd naar de negentiende-eeuwse verzamelaar John Steinmetz die met een grote schenking de grondlegger is van het Brugse prentenkabinet, telt een kleine 20.000 werken op papier. Zowel in omvang als in kwaliteit is het een boeiende verzameling, met een paar bijzondere kernen, maar het kan echter ook niet gerekend worden tot de (inter)nationaal toonaangevende prentenkabinetten. Naast presentaties uit eigen bezit, zoals recent een overzicht van 18de en 19de -eeuwse Brugse stadsgezichten, streven de Brugse musea ernaar om met regelmaat grafiek en tekenkunst uit andere verzamelingen uit binnen- en buitenland te laten zien om zo ook het publiek in Brugge een breed spectrum van papierkunst door de eeuwen heen te tonen. Dit najaar is een bijzonder moment in dat opzicht. Met een tweetal opeenvolgende tentoonstellingen uit befaamde Europese collecties zal iedere liefhebber van oude tekenkunst ruimschoots aan zijn trekken komen. In december opent in het Groeningemuseum een bijzondere presentatie waarop – naast schilderijen uit dezelfde periode – meer dan 50 tekeningen van Vlaamse primitieven uit Dresden te zien zijn.

Vanaf oktober zijn in het Arentshuis ruim 50 meesterwerken van Rubens, Jordaens, Van Dyck en tijdgenoten te bewonderen uit een van de mooiste verzamelingen prenten en tekeningen ter wereld, het prentenkabinet van Museum Boijmans Van Beuningen. Het gaat hier om een collectie die ik goed ken. Precies tien jaar lang heb ik (mede) verantwoordelijkheid gedragen voor het Rotterdamse prentenkabinet, alvorens in Brugge aan de slag te gaan. Het is dus zeker geen toeval dat de banden met mijn vorige werkplek zijn aangehaald en er een samenwerking ontstaan is met als resultaat deze tentoonstelling die daarenboven getuigt van het steeds intensievere internationale samenspel waarin de Brugse musea participeren.
Net als in Brugge gaat de kern van de verzameling prenten en tekeningen in Museum Boijmans terug op particuliere verzamelaars die hun schatten hebben geschonken en nagelaten aan het stedelijk kunstbezit. Wat tekeningen van oude meesters betreft kan er geen enkel twijfel over bestaan dat de wereldwijde reputatie van die collectie te danken is aan één enkele verzamelaar, te weten Franz Koenigs (1881-1941). Het verhaal van deze Duits-Nederlandse collectioneur en vooral van de markante lotgevallen van diens verzameling is even complex als intrigerend en is nauw verweven met de turbulente ontwikkelingen in het interbellum. De vlakbij Keulen geboren Koenigs was afkomstig uit een familie van bankiers en industriëlen. In 1922 vestigde hij zich hij Nederland – hij zou later ook de nationaliteit van zijn tweede vaderland aannemen - om vanuit daar zijn voorspoedige zakelijke activiteiten in beide landen te bestieren. Het is in die jaren dat Koenigs met een ongekende ijver begint te verzamelen. Eerder beschikte de zakenman, getrouwd met de dochter van een bekend schilder en afkomstig uit een familie die de kunsten genegen was, niet over de middelen om dat op grote schaal te doen. De verzamelaar had het ongelooflijke geluk dat hij kapitaalkrachtig was op het moment dat er velen waren die het minder fortuinlijk hadden getroffen en gedwongen waren hun verzamelingen te verkopen. Het aanbod op de kunstmarkt voor oude meesters in de jaren ’20 was in omvang en kwaliteit uitzonderlijk rijk, en de prijzen waren relatief laag. Tussen 1921 en 1931 wist Koenigs met een scherp oog voor kwaliteit en met raad van goede adviseurs een van de beste verzamelingen tekenkunst van de 20e eeuw bijeen te brengen. Zijn doel was een encyclopedische collectie op het hoogste niveau op te bouwen met bladen vanaf de vijftiende eeuw tot aan de generatie van Cézanne. Al met al slaagde de zakenman erin om een verzameling van bijna 2500 werken op te bouwen waarin alle grootmeesters van de tekenkunst met topbladen vertegenwoordigd zijn, met uitzondering van Raphaël en Michelangelo van wie in de jaren ’20 weinig van belang op de markt kwam.
Na 1931, toen de gevolgen van de economische recessie ook voor Koenigs voelbaar werden, kon er slechts sporadisch iets aan de verzameling toegevoegd worden. In het midden van de jaren dertig sloeg het economisch fortuin zelfs zozeer om dat de verzameling aan een handelsbank in onderpand werd gegeven om zijn zakelijke activiteiten te kunnen continueren. De collectie werd vanaf 1935 op uitdrukkelijk verzoek van Koenigs zelf als bruikleen geplaatst in het net in een gloednieuw gebouw heropende Museum Boijmans. In 1939/40 kwam er een opmerkelijke transactie tot stand. De bank Lisser en Rozenkranz, die als instelling met joodse eigenaars de ontwikkelingen op het Europese vasteland scherp volgt, wil het onderpand gekapitaliseerd zien en onderzoekt de mogelijkheden tot verkoop van de collectie. In een doelbewuste poging om de collectie intact te houden en voor het museum te bewaren koopt de Rotterdamse havenmagnaat D.G. van Beuningen de hele verzameling aan. Pal daarop werd, in mei 1940 na het bombardement op Rotterdam waarbij Museum Boijmans als bij wonder gespaard bleef, Nederland bezet door de Duitsers. In opdracht van het nazi-regime waren Duitse kunstagenten geïnteresseerd in aankoop van de complete Koenigscollectie ten behoeve van het (nooit gerealiseerde) Führermuseum in Linz. Na onderhandelingen met eigenaar Van Beuningen wist de laatste door een niet geheel onomstreden verkoop van een deel van de tekeningen, voornamelijk uit de Duitse school, het overgrote deel van de collectie te behouden. Terwijl iets meer dan 500 bladen – waaronder ‘slechts’ 15 Vlaamse tekeningen uit de 17e eeuw – als oorlogsbuit aan een nog steeds niet beëindigde zwerftocht door Duitsland en Rusland begonnen, schonk Van Beuningen in 1941 het resterende deel met bijna 2000 meesterwerken aan het museum in de Maasstad.
De spraakmakende lotgevallen van het verdwenen en inmiddels opgedoken en partieel aan het Rotterdamse museum geretourneerde deel van de Koenigscollectie laat ik hier, ook al omdat de Vlaamse tekenkunst in dat verhaal geen rol van betekenis speelt, verder onvermeld. Hoe dan ook werd het museum in 1941 verrijkt met een uitgelezen selectie van een honderdtal tekeningen van Vlaamse meesters uit de zeventiende eeuw. Daarbij lag het accent, indachtig de algemene opzet van de collectie Koenigs, op bladen van de drie grote meesters Peter Paul Rubens (1577-1640), Jacob Jordaens (1593-1678) en Anthony van Dyck (1599-1641). Van Rubens zijn uiteenlopende soorten tekeningen verworven door de Duits-Nederlandse collectioneur: kopieën naar werken uit
de antieke oudheid, kopieën naar eigentijdse meesters, naaktstudies, compositieschetsen en meer uitgewerkte studies. Hoogtepunt in het ensemble rondom Rubens zijn bijvoorbeeld een tweetal portretten van een jonge vrouw, meesterlijk getekend in de voor Rubens karakteristieke combinatie van rood, zwart en wit krijt en hier en daar opgehoogd met witte dekverf. Van Jordaens, die een iets minder productief tekenaar is geweest dan de alleskunner Rubens, had de verzamelaar ook een fraaie selectie bijeengebracht. Hoogtepunt – en vanwege conditionele redenen nooit buiten Museum Boijmans te bewonderen – is een op groot formaat uitgewerkte voorstelling met ‘De Koning Drinkt’. Deze prototypische en nog steeds immens populaire Jordaens-compositie is ook in techniek karakteristiek voor zijn getekende oeuvre in het gebruik van meerdere kleuren krijt, royaal aangevuld met partijen water- en dekverf. Net als van diens leermeester Rubens is Koenigs erin geslaagd van Anthony van Dyck prachtige voorbeelden uit zijn veelzijdige getekende oeuvre bijeen te brengen, van scherp geobserveerde naaktstudies in krijt tot snel, maar treffend met penseel en inkt neergezette compositieschetsen.
Opvallend is zeker een tekening van de Ypres Tower in de Engelse kustplaats Rye, een mooi voorbeeld uit het betrekkelijk kleine oeuvre van landschapstekeningen van de meester.
Nu kan allicht de indruk zijn ontstaan dat de collectie Vlaamse tekeningen in Museum Boijmans Van Beuningen louter bestaat uit bladen die met de collectie van Franz Koenigs verworven zijn. Al kan niet betwist worden dat in kwaliteit deze verzameling de boventoon voert, er is zeker nog een verzameling die niet onvermeld mag blijven.
Reeds bij de oprichting van het museum in 1849 was er een belangrijke kern van Vlaamse tekeningen aanwezig.
Door het legaat van de Utrechtse jurist en verzamelaar Frans Jacob Otto Boijmans (1767-1947) was de stad Rotterdam in het bezit gekomen van uiterst omvangrijke en veelzijdige verzameling waarmee het voor het eerst mogelijk was een kunstmuseum op te richten in de stad. In het legaat waren ook vele duizenden tekeningen opgenomen, waaronder bijna 200 bladen van Vlaamse meesters. Ondanks de desastreuze band die in 1864 het museum in de as legde en grote delen van de verzameling verloren deed gaan, zijn van deze deelcollectie toch bijna 140 tekeningen bewaard gebleven. Naast velerlei interessante werken van ‘kleinere’ meesters, die in de schaduw van de drie ‘groten’ al te makkelijk over het hoofd gezien worden, wist de verzamelaar Boijmans in de eerste kwart van de 19e eeuw toch verschillende meesterwerken te bemachtigen die beslist niet onderdoen voor wat Koenigs een eeuw later kon aankopen zoals een uitgewerkte graflegging in pen en penseel van Rubens (al gold die eerlijk gezegd ten tijde van verwerving als een blad uit de omgeving van Van Dyck), een levendige voorbereidende schets van Jordaens voor een van zijn populaire schilderijen met het thema ‘soo de ouden songen, pijpen de jongen’, of een monumentale krijtstudie van een naakte man op de rug gezien van de hand van Van Dyck. Veel meer dan Koenigs kocht F.J.O. Boijmans werken van minder beroemde kunstenaars aan, waarvan – om slechts enkele uiteenlopende voorbeelden te geven – er mooie tekeningen in het Rotterdamse kabinet bewaard zijn als een uitgewerkt ontwerp voor een ornamentele rand in een boek van Abraham van Diepenbeeck, een jachttafereel van Jan Fyt, een kerktoren van Gillis Neyts en levendige dierstudies van Frans Snijders. Tezamen met meer incidentele schenkingen en aankopen in de inmiddels ruim 150-jarige geschiedenis van Museum Boijmans geeft de collectie een mooi overzicht van wat de Vlaamse tekenkunst uit de zeventiende eeuw te bieden heeft. Al is – maar is dat niet een luxe die iedere conservator zich zou toewensen – het beeld vertekend door een absolute oververtegenwoordiging van de drie grootmeesters die deze periode domineren.
Een museum dat zijn wetenschappelijke taak en zijn publiek serieus neemt streeft ernaar de belangrijkste collectiekernen te onderzoeken, te documenteren en te ontsluiten. Traditioneel gebeurt dat in musea ten behoeve van vakgenoten en specialisten middels wat in vakjargon een bestandscatalogus genoemd wordt, een publicatie waarin een duidelijk afgebakend collectiedeel integraal en met gebruik van de meest recente wetenschappelijke inzichten wordt beschreven. Voor tekeningen, die immers niet in vaste collecties zichtbaar zijn en die ook in grote aantallen bewaard gebleven zijn, is dat zo mogelijk van nog groter belang dan voor schilderijen. Sinds het midden van jaren ’90 werd in het prentenkabinet van Museum Boijmans hard gewerkt aan de catalogus van het volledige bestand 17e eeuwse Vlaamse tekeningen, dat wil zeggen van kunstenaars werkzaam in de Zuidelijke Nederlanden en geboren tussen 1575 en 1650.
Ruim vijf jaar is onder leiding van de toenmalige conservator tekenkunst deze deelverzameling intensief bestudeerd. De tekeningen werden onderzocht op techniek, soort papier, watermerk, authenticiteit van signaturen en opschriften, herkomst en dergelijke. Toeschrijvingen in de omvangrijke literatuur, maar ook in de niet gepubliceerde notities en in de correspondentie met vakgenoten in het archief van het museum, werden kritisch bekeken, wat in diverse gevallen heeft geleid tot nieuwe toeschrijvingen. Inhoud, betekenis en karakter van de voorstellingen zijn uitvoerig geanalyseerd en waar mogelijk geplaatst in de context van het oeuvre van de kunstenaar. Het resultaat was niet alleen een uitvoerige (Engelstalige) publicatie met het hele bestand van 250 tekeningen, maar ook een tentoonstelling met een selectie van de mooiste werken die in 2001 in het Rotterdamse museum werd tentoongesteld. Het doet me bijzonder veel plezier dat deze presentatie, die ook in Madrid en de Verenigde Staten te zien is geweest, nu aan het Brugse publiek getoond kan worden.
Een mooie selectie van vele oude en dierbare bekenden die ik vaak in de hand heb gehad en waarvan ik hoop dat zij ook hier velen zullen aanspreken.”

Tentoonstellingspublicatie
Naar aanleiding van de tentoonstelling “Rubens, Jordaens, Van Dyck – Vlaamse meestertekeningen uit het prentenkabinet van het Museum Boijmans Van Beuningen” is een catalogus in het Nederlands en in het Frans uitgegeven met bijdragen van dr. Manfred Sellink, Sandra Janssens en Till-Holger Borchert.
Prijs: N (softcover): € 18/ F (softcover): € 18/ E (hardcover) € 45 | Verkrijgbaar in de museumshop aan de overzijde van het museum (Arentshuis) en in het Groeningemuseum.

Lijst van de aanwezige kunstwerken

Peter Paul Rubens
1. Schetsblad met kopieën na Tobias Stimmer
2. Schetsblad met kopieën na Adriaen Collaert
3. Schetsblad met de vlucht van Medea
4. Schetsblad met de strijd tussen Lapithen en Centaruen (na Michelangelo)
5. Jonge man in profiel (door de kunstenaar bewerkte tekening van Ambrogio de Predis)
6. Schets voor een sileen of sarter
7. Rugaanzicht van een mannelijk naakt
8. Staand vrouwelijk naakt
9. Boerenkrakeel bij het Kaartspel
10. Studie na Orazio Gentileschi
11. Studie na Titiaan
12. Portret van een jonge vrouw

Jacob Jordaens
13. Aanbidding van de herders
14. Studie van een dudelzaakspeler
15. Studie voor ‘Zo d’ouden zongen, zo pijpen de jongen”
16. Portret van een man
17. Studie van een priester
18. Nimfen met een koe en een geit
19. Allegorie van de Overvloed
20 a en b. kop van een man en een vrouw in verloren profiel
21. Aanbidding van de herders
22. Chronos
23. Besnijdenis van Christus
24. Studie van een papegaai

Antoon van Dyck
25. Petrus krijgt de sleutels van het hemelrijk
26. Lopende man
27. Studie van een zittend mannelijk naakt in rugaanzicht
28. Knielende man in rugaanzicht
29. Studie voor het schilderij “Mozes en de bronzen slang”
30. Matthëus en de engel
31. Schets van een jonge man ten voeten uit
32. Kruisiging
33. Portret van Frans Francken de Jonge
34. Portret van Don Alvaro de Bazan
35. Studie van een zittend man
36. De Yprestoren ten Rye

Jan Cossiers
37. Portret van een jonge man

Abraham van Diepenbeeck
38. Ontwerp voor een lijstwerk (met kruisiging uit het atelier Van Dyck)
39. David als boeteling

Jan Fyt
40. Eenden en patrijzen worden door honden opgeschrikt

Paulus Pontius
41. Portret van Don Gaspar de Guzman

Jan Erasmus Quellinius
42. Onze-lieve-vrouw door heiligen vereerd

Frans Snyders
43. Studie van een struisvogel
44. Stilleven met vruchten en pompoen

David Teniers de Jonge
45. Blik op het kasteel van Westmalle

Lucas van Uden
46. Landschap met kerk
47. Berken

Exposerende kunstenaar(s) / exhibited artist(s):
Jan Cossiers - Abraham van Diepenbeeck - Anthony (Antoon) van Dyck - Jan Fyt - Jacob Jordaens - Paulus Pontius - Jan Erasmus Quellinus - Peter Paul Rubens - Frans Snijders - David Teniers de Jonge - Lucas van Uden

Groeninge Museum
Dijver 12, B-8000 Brugge, +32-50448707, open: di t/m zo 9.30-17.00, gesloten 25 dec en 1 jan, entree € 8,00
Expositieperiode van 28 oktober t/m 31 december 2005