Vriend    MUSEUM
 
Museum de Wieger
Oude Liesselseweg 29  Plattegrond via Michelin Plattegrond via Google
5751 WN Deurne, Nederland
T 0493-322930
 info@dewieger.nl
www.dewieger.nl
di t/m zo 12.00-17.00
entree Ä 5,00
  

Contact: Frank Lubbers

Overige informatie
Toen Hendrik Wiegersma, 'de oude Pan van Deurne' zoals hij zichzelf noemde, goed en wel was begraven en de gemeente Deurne had besloten het huis 'De Wieger' een museale bestemming te geven, kwam de vraag op wat er binnen te zien moest zijn.
Volkskunst, met als basis de collectie die Wiegersma zelf bijeen had gebracht? Of moest het een breder gebied bestrijken, bijvoorbeeld de streekgeschiedenis?
De kunstcollectie overnemen die nog eigendom was van de familie Wiegersma zat er niet in. In zijn geheel zou die te duur zijn, maar veel stukken waren niet te koop. Het werk van Zadkine, Cantrť, Permeke en andere grote namen in de kunst, zou niet in De Wieger terugkeren.
Wel was met gelden uit het Hendrik Wiegersma fonds sinds 1967, toen de dorpsarts vijftig jaar in Deurne praktizeerde, een bescheiden collectie aangelegd van generatiegenoten en vroegere vrienden. Deze werken werden, met een wisselende keuze uit de collectie Wiegersma, getoond in het Dinghuis, een bijgebouw van het Groot Kasteel in Deurne.
Het is niet verwonderlijk dat uiteindelijk de kunst van het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, de 'meest geŽigende opdracht' voor het nieuwe museum werd gevonden. En het lag in de lijn der verwachting dat Pieter Wiegersma de eerste conservator van De Wieger zou worden.
Het had allemaal tijd nodig - Wiegersma overleed in 1969, de gemeente kocht het huis in 1972, op 6 augustus 1976 vond de officiŽle openstelling plaats. Maar toen was ook de bijna ideale combinatie tot stand gebracht van werken van een van de meest schilderachtige figuren uit de Nederlandse kunst, zijn collectie 'kleinbeeldhouwwerk' zoals hij de volkskunst noemde, een bijzonder huis, en een verzameling kunst uit de bloeiperiode van het figuratieve schilderen. Een beter gedenkteken had Wiegersma zich niet kunnen wensen.

Achteraf lijkt er aan historische gebeurtenissen vaak een logica ten grondslag te liggen, die op het moment zelf ver te zoeken was. De kunst van het interbellum, waarover nu weer met zoveel respect wordt gesproken, was aan het einde van de jaren zestig vrijwel uit de Nederlandse museumzalen verdreven. Er waren verschillende oorzaken. De sterke opkomst van de jongerencultuur was een heel belangrijke factor. Vernieuwing was het toverwoord, zeker waar creativiteit een rol speelde.
En creativiteit moest ongebonden zijn. Die afwijzing van elke academische norm was al zichtbaar bij de opkomst van Cobra omstreeks 1950. Ambachtelijkheid en het geduldig opbouwen van een mťtier was na de oorlog opeens uit de tijd. De kunstenaars die zich voor de oorlog het vak eigen hadden gemaakt, vielen daarom buiten het modieuze beeld van de moderne kunst dat de musea wilden laten zien.
Daarmee verdween ook de figuratie buiten beeld. Het genre- schilderen - portretten, stillevens, landschappen, figuren - werd verbonden met een oude, bedompte wereld die in een massale oorlog ten onder was gegaan. De nieuwe wereld zag er anders uit, onder druk van het originaliteitsbeginsel zelfs voortdurend anders.
In de eerste helft van de jaren zestig culmineerde dit in vormen van kunst die met het traditionele kunstwerk niets meer te maken hadden. Kunst kon een geÔmproviseerd pianospel in de open lucht zijn, een verzameling oud roest, een hoopje vet in de hoek van een zaal, een acht- milimeterfilmpje of een reeks foto's aan de wand.

Schilderkunst was hopeloos ouderwets
Voor Hendrik Wiegersma en de generatie kunstenaars waarvan hij deel uitmaakte waren deze ontwikkelingen moeilijk te volgen. Van het brandpunt van de kunstwereld werden zij naar de marge gedrongen. Zeker zo vreemd was de situatie voor de jongeren die een ambachtelijke opleiding hadden gevolgd en tijdens de wederopbouw veel gevraagd werden voor monumentale opdrachten. Hun 'bloeitijd' duurde tot 1960, toen de bouw van nieuwe kerken tot stilstand kwam en de vraag naar bouwsculpturen, reliŽfs, muurschilderingen, mozaÔeken, glas-in-lood en glas-in-beton vrijwel wegviel. Velen van hen hebben met hun werk de museumzalen en -collecties nooit bereikt.
De glazenier Pieter Wiegersma behoort tot deze laatste groep. Voor hem moet in de jaren '60 een dubbel engagement hebben gegolden om de kunst uit de jaren 1918 tot 1940 een blijvende plaats te geven in het huis van zijn vader. Hij heeft tijdig ingezien dat veel materiaal uit een belangrijke periode van onze kunstgeschiedenis verloren dreigde te gaan.
Behalve de noodzaak zag Wiegersma junior ook veel mogelijkheden om deze kunst onder de aandacht te brengen. Juist omdat niemand ernaar omkeek konden met gemak exposities worden samengesteld met werken uit de depots van het Stedelijk Museum in Amsterdam of het Haags Gemeentemuseum. En veel schilders waren nog in leven. Via bestaande kontakten, of door bemiddeling van de kunsthandel of veilinghuizen kon voor de collectie in Deurne vaak tegen lage prijzen werk worden verworven. De lijst van tentoonstellingen in het vroegere Dinghuis en de eerste jaren van museum De Wieger is een aaneenschakeling van nu overbekende namen. Het overgrote deel van de collectie werd bijeengebracht tussen 1967 en 1980.

In kunsthistorisch opzicht valt er wel iets af te dingen op de periode-afbakening van het interbellum. De voornaamste avant-gardestromingen in de kunst zijn ontstaan tussen 1905 en 1915, de meeste in Parijs. De eerste wereldoorlog heeft diepe sporen nagelaten, ook in het culturele landschap van Europa. Maar juist in Nederland is het jaar 1918 niet van bijzondere betekenis. De belangrijkste vernieuwers hadden al vanaf 1910 in Parijs kennisgemaakt met de moderne richtingen: Piet Mondriaan, Leo Gestel, Jan Sluyters, Otto van Rees, en vele anderen. Niet voor niets behandelde A.B. Loosjes-Terpstra in haar belangrijke studie over de moderne kunst in Nederland van (1959) de periode 1900 tot 1914. Doordat Nederland niet in de eerste wereldoorlog betrokken raakte, zochten verschillende kunstenaars uit Frankrijk en BelgiŽ hier hun toevlucht. Henri le Fauconnier was van grote betekenis voor het ontstaan van de Bergense School. Leo Gestel hielp een aantal Vlaamse kunstenaars aan onderdak, waarmee hij ook belangrijke artistieke kontakten tot stand bracht.
Het jaar 1918 is om deze redenen als startpunt voor een kunstverzameling ongelukkig gekozen. 1910 Zou een betere limiet zijn, omdat de snelle opeenvolging van invloeden vanuit Frankrijk - kubisme, fauvisme, luminisme - en Duitsland - expressionisme - dan zichtbaar worden.
In de praktijk is gelukkig het jaar 1918 niet strikt als limiet gehanteerd. Zo konden binnen de selectie van hoogtepunten uit de verzameling voor dit boek een aantal belangrijke werken worden op-genomen van Lodewijk Schelfhout, Conrad Kickert, Wim Schuh-macher, Jacoba van Heemskerck en Jan Sluijters. De huidige collectie van De Wieger geeft verder een goed beeld van de Bergense School (Gestel, Filarski, Schuhmacher, Piet en Matthieu Wiegman, Charley Toorop), De Ploeg in Groningen (Jan Wiegers, Johan Dijkstra), de Rotterdammers ...., de Utrechters Douwe van der Zweep en ..., het magisch realisme (Willink, Hynckes, Mekkink), en natuurlijk de Brabantse en Limburgse schilders als Hendrik Wiegersma, Joep Nicolas en Charles Eyck. Veel bekende schilders zijn met ťťn werk in de collectie vertegenwoordigd. Dat is niet veel, maar hun werk is vaak al op ruime schaal verzameld in de tijd zelf. Dat geldt voor Herman Kruyder, Jan Sluijters, Jacoba van Heemskerck, Pyke Koch, Jan Mankes, Charley Toorop, Carel Willink. De verzameling van De Wieger geeft vooral een tijdsbeeld, waarin ook veel onbekendere namen zijn opgenomen. De meeste onbetwiste hoogtepunten uit de periode zijn in de grotere musea te vinden, waar ze tegenwoordig met zorg gekoesterd worden.
Het pionierswerk, waarvoor De Wieger ooit is opgericht, is nog altijd niet voltooid. Pieter Wiegersma begon met de reeks tentoonstellingen met wat toen de eerste prioriteit had: Leo Gestel, Carel Willink, Herman Kruyder. Agnes Grondman, conservator van 1986 tot 1990, voegde daar nieuwe stromingen aan toe: de Amsterdamse realist Sal Meijer, Ferdinand Erfmann, het Nederlands surrealisme. Jammer genoeg hebben tentoonstellingen in haar tijd, en daarna in de roerige periode 1990 tot 1992 onder Tjeu Teeuwen, weinig sporen in de collectie nagelaten. Na 1992 is dat wel gebeurd met het werk van Sierk SchrŲder en Cornelis Kloos, en naakten van Isaac IsraŽls en Erasmus van Dulmen Krumpelman. Daarnaast is de collectie zowel in de breedte (nieuwe namen) als in de diepte (meer werk van reeds vertegenwoordigde kunstenaars) uitgebreid.
Zoals uit de keuze voor Isaac IsraŽls blijkt, is het niet nodig voortdurend de marges van de kunstgeschiedenis af te grazen. Het zo-genaamde Amsterdams impressionisme van Israels en Breitner heeft school gemaakt in de kunst van deze eeuw, wat het verzamelen van laat werk van eerdere stromingen rechtvaardigt.
Op dezelfde wijze dient aan de andere kant het tijdvak na 1940 in het oog gehouden te worden. De invloeden van kunstenaars uit het interbellum waren soms al heel snel zichtbaar. Toon Kelder en Edgar Fernhout kozen na de oorlog voor abstractie, waardoor zij een nieuwe actualiteit kregen. De figuratieve kunst kwam pas opnieuw in beeld nadat eind jaren '70 het penseel weer met ongekende energie ter hand werd genomen. De kunstenaars zelf maken het net niet meer mee, maar de omslag in de waardering van hun werk is onmiskenbaar.
De kunst houdt zich aan geen enkele afbakening. Daarom is het voldoende wanneer voor de collectie van De Wieger het interbellum als zwaartepunt wordt geformuleerd. Tentoonstellingen gaan daar met groot gemak buiten, zoals bij 'De automatische verbeelding' (1989) over het Nederlandse surrealisme zichtbaar was, en later bij 'Het naakt in de Nederlandse schilderkunst van de twintigste eeuw' (1994).
Een museum moet niet bewijzen hoe groot de afstand is tussen de kunstenaar van nu en die van honderd jaar geleden. Integendeel.
De kunst neemt steeds nieuwe vormen aan, maar juist wat deze kunstenaars verbindt is het eigenlijke aandachtsgebied van het museum. Dat is een voortgaand proces.
Aan dit proces, voor zover het in Deurne getoond wordt, dreigde in 1992 een abrupt einde te komen toen de gemeenteraad het museum wilde sluiten als bijdrage aan het 'gezond maken' van de gemeentelijke financiŽn. Het opofferen van deze culturele rijkdom, die zo'n belangrijk bestanddeel vormt van Deurnes geschiedenis, had op een ander vlak tot armoede geleid. Het is veelzeggend dat juist de in Deurne wonende kunstenaars hebben geprotesteerd tegen de voorgenomen sluiting door het museum symbolisch dicht te timmeren. Hun daad, uitgevoerd met groot respect voor het gebouw, was een prachtig voorbeeld van politiek bedrijven met beeldende middelen. Het 'onbewoonbaar verklaarde museum' blijft als een schrikbeeld op het netvlies gebrand.
Zoals bekend heeft De Wieger het debat overleefd, al was het vanaf dat moment (1 april 1992) zonder het woordje 'gemeente' in de naam. Door de subsidierelatie en gemeenschappelijke belangen is het kontakt met gemeente en gemeenschap van Deurne niet minder hecht geworden.

De Wieger is een levend museum, geen mausoleum voor een stroming of tijdvak. Het beweegt in de tijd en legt vast wat op verschillende momenten belangrijk wordt gevonden. Een voordeel is, dat het aandacht mag vragen voor het detail en zo de grote lijn kan bijstellen. Pieter Wiegersma constateerde al ten tijde van de opening in 1976, dat De Wieger altijd een klein museum zal blijven. Dat hoort ook zo. Het is niet het formaat van het gebouw of van de getoonde kunstwerken wat telt. De Wieger heeft grote kwaliteiten, als buitenplaats waar dingen geoorloofd zijn die in de gevestigde instituten niet kunnen. Dat maakt de toekomst van dit kleine museum zo spannend.

Nieuws- en persberichten
15/06/2011 Red Museum De Wieger in Deurne

Exposities (komt/future nu/now voorbij/past)
De vroege Raoul Hynckes
7/9/2014 - 30/11/2014
Jan Engelman en Hendrik Wiegersma: Een vriendschap in brieven
6/7/2014 - 31/8/2014
Het Palet van het Interbellum: Nederlandse kunst uit 1914-1945
6/4/2014 - 29/6/2014
Winter in Brabant (en elders)
14/12/2013 - 30/3/2014
Uit het Depot: Een selectie uit de eigen collectie
14/12/2013 - 30/3/2014
Sarah Wiegersma
15/9/2013 - 18/12/2013
Laureaten Jeanne Oosting Prijs
15/9/2013 - 18/12/2013
voorbij / past >>

Kunstenaars in vaste collectie
  A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z alle
Hendrik Nicolaas Werkman - Jan Wiegers - Hendrik Wiegersma - Pieter Wiegersma - Matthieu Wiegman - Piet Wiegman - Nicolaas Wijnberg - Piet van Wijngaerdt - Daan Wildschut - Carel Willink - Willem Witjens - Jan Hendrik Willem Wittenberg - Hendrik Jan Wolter - Theo Wolvecamp.

 Toon afbeeldingen: